
Vorige week is mijn boek ‘Russische ravage, leven met gewone Russen’ uitgekomen, met een voorwoord van Kysia Hekster. Het bevat mijn bizarre belevenissen in Rusland, die u hopelijk een beter beeld geven van het alledaagse tragikomische leven waar de Russen mee kampen. Exclusief voor u als volger van mijn blog, bij deze een fragment uit hoofdstuk 4: De Euthanasie-asielzoeker. In dit hoofdstuk vertel ik het verhaal van Maria, een vrouw van inmiddels in de zeventig, die in het ziekenhuis terecht kwam na te zijn geschept door een zorgeloze rijke automobiliste. Vervolgens liet Maria’s dochter, waarmee de verhoudingen ernstig waren verstoord, haar moeder afvoeren naar een ‘psichoesjka’ (psychiatrische inrichting). Mijn goede vriendin, de lesbische activiste Lena Bootsman (bijnaam), besloot dat wij moesten helpen Maria uit het ‘gekkenhuis’ te krijgen.
Na het ziekenhuis leek een Russische psychiatrische inrichting me wel erg heftig, maar Bootsman maakte korte metten met mijn aarzelingen. ‘Denk je dat ik het leuk vind daar naartoe te gaan!? Maar we kunnen niet wachten, nu is Masja nog niet helemaal platgespoten en kunnen we nog een list verzinnen. Vergeet niet je sloffen, ik weet niet of ze daar bachily (plastic schoenbeschermers) hebben!’
Het was duidelijk dat ‘nee’ zeggen geen optie was, dus die zaterdagochtend half negen ontmoette ik Bootsman bij de uitgang van metrostation Tsjeremoesjki. Vanaf het metrostation moesten we nog een stukje met de bus. Toen ik in de bus een kaartje wilde kopen, nodig om het tourniquet bij de ingang te passeren, trok Bootsman me vlug naar zich toe. ‘Geldverspilling,’ mompelde ze geërgerd. Ze trok me tegen haar volle lichaam aan, hield haar pensioenpasje voor het tourniquet en wurmde zich er met mij doorheen. Russische gepensioneerden mogen vrij reizen. Ik durfde de overige passagiers niet aan te kijken uit schaamte. Dat was onnodig, zowel de chauffeur als de reizigers leken onze manoeuvres de normaalste zaak van de wereld te vinden. Bootsman verbaasde zich over mijn verbazing daarover. ‘Ja, jij houdt je als westerling natuurlijk aan alle regeltjes.’
Toen we de bus uitstapten voor de inrichting, was ik blij verrast. Het complex bestond uit een omheind terrein met lage rode bakstenen gebouwen te midden van grasvelden en bomen. Hier en daar stonden bankjes. Ik vroeg me hardop af of de mensen met minder ernstige aandoeningen hier bij mooi weer buiten zouden zitten. Maar mijn ‘inburgeringsbuddy’ Bootsman wees mij op de tralies voor de ramen van de benedenverdiepingen. ‘Onze psychiatrische inrichtingen staan gelijk aan gevangenissen,’ hielp ze mij uit de droom.
Na wat dwalen en vragen vonden we het gebouw waar Masja verbleef. Zoals vaker als ik met Bootsman op pad was, waren we te vroeg. Gelukkig, want het was nog steeds ruim onder nul, ging de deur snel open.
In de hal deden Bootsman en ik onze meegebrachte slofjes aan. We liepen langs gebutste muren waarvan de onderste helft slordig donkergroen was geverfd en gingen de trap op naar de eerste verdieping. Net als in het ziekenhuis hadden ook hier de gebouwen geen lift. Op de tot het plafond reikende dubbele donkerrode deur die toegang gaf tot de geriatrische vrouwenafdeling waar Masja zat, hingen adviezen aan bezoekers over wat mee te brengen. Het werd mij zwaar te moede toen ik daartussen ‘closetpapier’ las. Ik dacht dat schaarste aan closetpapier iets was uit de Sovjettijd. Deze ouderen met psychische problemen hadden dus zelfs onvoldoende papier om hun kont mee af te vegen.
Een struise blonde verpleegster opende na een minuut of tien de deur. Ik zette me schrap voor wat komen ging en dat was maar goed ook. We stonden in een lange gang die zich aan beide kanten uitstrekte en toegang gaf tot verschillende kale kamertjes met daarin een aantal bedden. Tegenover ons stonden over bijna de hele lengte van de gang bankjes voor de kamers. Daarop hingen oude vrouwtjes in op elkaar lijkende bloemetjesjurken en met een volstrekt afwezige blik, als waren het menselijke kussentjes. Hun hoofden, die door het dunne kortgeknipte haar op babyhoofdjes leken, hingen opzij, als geknakte bloempjes. Links van mij zag ik een vrouw met een flinke snor en beginnende baard. Ik vond het fascinerend en afschrikwekkend tegelijk, een beeld van de hel op aarde.”
Mocht u aanstaande vrijdag 12 april om 17.00u bij de boekpresentatie willen zijn en een eigen gesigneerd exemplaar willen hebben, dan kunt u zich hiervoor opgeven bij boekhandel Pegasus (als u verzekerd wil zijn van een plaatsje): Boekpresentatie ‘Russisch ravage, leven met gewone Russen.’
Ik hoop u vrijdag te zien, en zo niet, dan wens ik u veel leesplezier met ‘Russische ravage’ mocht u het boek aanschaffen!




